Maandelijks archief: juni 2018

Column – Elke morgen nieuw

‘So schönes Wetter, und – ich noch dabei’, laat de Duitse schrijver Wilhelm Raabe (1831 – 1910) ergens één van zijn figuren zeggen. Alleen al deze ene regel maakt hem voor mij onvergetelijk: “Zulk mooi weer – en ik er nog bij”. De afgelopen weken hebben mijn vrouw en ik het aan de ontbijttafel geregeld tegen elkaar gezegd. ‘So schönes Wetter, und wir noch dabei’. Dat iedere morgen de zon opgaat is één van de vanzelfsprekendste dingen van de wereld. Als iemand met ochtendhumeur dat becommentarieert met een nuchter ‘nou en?’ heeft die het grootste gelijk van de wereld. Toch maakt een stralende morgen ieder die maar een beetje gevoel heeft gelukkig. Net als de thee, de koffie en verse broodjes op de ontbijttafel. Niet voor niets is in één van de boeken van een andere Duitse schrijver, Heinrich Böll (1917 – 1985), het ontbijt één van de gelukkigste momenten van de dag.
In de kerkdiensten waarin ik de afgelopen weken voorging heb ik geregeld als eerste lied opgegeven:
Dit is een morgen als ooit de eerste,
zingende vogels geven hem door.
Dank voor het zingen, dank voor de morgen,
beide ontspringen nieuw aan het woord.
(Liedboek, Zingen en bidden in huis en kerk, gezang 216). En altijd kreeg ik de indruk dat men het van harte mee zong. Een stralende morgen is zinnebeeld van de overwinning van het heldere op het verwarde, van de waarheid op de leugen en de schijnheiligheid, van verlichting en wijsheid op bijgeloof en dwaasheid. ‘Weldra betreedt de zon haar gouden pad om de morgen aan te kondigen, dan zal het bijgeloof verdwijnen en zegeviert de wijsheid’, laat Mozart aan het begin van zijn finale van Die Zauberflöte de drie jongens zingen. Muziek waar je, of je wilt of niet, vanzelf vrolijk van wordt. Geen wonder dat de Bijbel in de opgaande zon op de vroege morgen een verwijzing ziet naar Gods goedheid. Naar het scheppingsverhaal ook, waar chaos langzaam maar zeker plaats maakt voor licht en ruimte. Daarom laat een ander morgenlied uit het liedboek ons zingen:
De trouw en goedheid van de Heer
verschijnt ons elke morgen weer
en blinkt en blijft als dauw zo fris,
zolang het dag op aarde is. (Gezang 207)
Je zou elke ochtend een loflied op de Schepper kunnen aanheffen en je op het nieuwe leven verheugen. Om vervolgens in de avond, bij zonsondergang, de blues te dansen. Als tenminste niet één of andere idioot zich die dag in één van onze steden opblaast. Als je niet een lief mens ontvallen is, of niet al in de vroege morgen door verschrikkelijke pijnen gekweld wordt. Dan besterft de lof je op de lippen en snijden kreten door de lucht. En die kreten worden vragen: Waarom? Waarom zo, en waarom ik?
De titel van mijn column heb ik ontleend aan een vers uit het Bijbelboek Klaagliederen:
Het is de goedheid van de Eeuwige
dat het niet met ons gedaan is
dat Zijn ontferming niet opgehouden is!
Nieuw zijn ze, elke morgen; (hoofdstuk 3 : 22 en 23)
Klaagliederen is een boek dat boordevol met bittere vragen en klachten staat. Lamentationes heet het in het Latijn en er wordt heel wat af gelamenteerd. Ze zijn ontstaan in de Babylonische ballingschap. Onder Judeeërs die alles verloren hadden en waren gedeporteerd naar een ver en vreemd land. In de meeste liederen is de hele gemeenschap aan het woord, in dit lied uit hoofdstuk 3 slechts één enkele mens. Zijn lichaam voelt als een gevangenis en ook zijn geest draait altijd maar weer dezelfde rondjes in de zinloosheid waarin hij opgesloten zit. Maar één ding kan deze mens nog wel: klagen. Door te klagen creëert hij ruimte. Stel je eens voor dat, wanneer je verdriet hebt of als je onrecht is aangedaan, je ook nog de ruimte om te klagen zou worden ontnomen! Dan hebben hel en dood en hun verachtelijke handlangers echt het laatste woord. Zolang we klagen leven we en zijn we weerbaar. Daarom schept klagen lucht. Dat is de reden dat de klacht in de Bijbel alle ruimte krijgt, want voor de Bijbel is God daar waar we weer lucht krijgen.
Is er weer iets van ruimte, hoe miniem ook, dan kun je ondanks alles blij worden van heelt gewone dingen als de opgaande zon. Vandaar dat midden in een klaagpsalm geregeld zo maar de lofzang kan opklinken op toch weer een nieuwe morgen.
Maar ook als het je een redelijk onbezorgd bestaan te leidt waarin ellende en lijden je deur voorbijgaan, kan een mooie morgen je blij maken. En die blijdschap moet je koesteren. Het is de vreugde over de schat aan schoonheid en goedheid die ons met het leven in de schoot wordt geworpen.

Ds. Adri Terlouw
(reageren op deze column? ; terlouwadri@gmail.com )