Categoriearchief: Geen categorie

Column – Van ophouden weten

Tijdens de ruim veertig jaar dat ik nu predikant ben, heb ik één keer een burn – out gehad. Al noemde je dat toen nog niet zo. Maar het had er alle kenmerken van. Met als belangrijkste dat er geen moment meer was dat ik niet met mijn werk bezig was. Als ik ’s maandags na een drukke werkdag met als afsluiting ’s avonds vijf catechesegroepen onder de douche stond, was ik alweer druk bezig met hoe ik volgende week met hen verder moest. Ik had er namelijk voor gekozen hun eigen levenservaring als leerstof te nemen. Dat was in die tijd helemaal nieuw en ik moest dus zelf gaandeweg uitvinden hoe je dat aanpakte. En dan was er ook nog al het andere werk dat die week op mij wachtte: pastorale gesprekken, godsdienstlessen op de openbare basisschool, vergaderingen, de redactie van het kerkblad en de zondagse preek.  Aan den lijve heb ik toen geleerd hoe belangrijk het is om tijd vrij te maken waarin ik niet met mijn werk bezig was. Van ophouden weten. Uit gesprekken met mijn kinderen en hun leeftijdsgenoten merk ik dat dit ook voor hen vaak moeilijk is. Ze zijn 24/7 bereikbaar. De mobiele telefoon gaat nooit uit. Dus blijven bijna 24/7 ook de zakelijke mails, whatapps en belletjes binnenkomen. En op den duur blijkt dat te veel. Een mens moet van ophouden weten. Sabbat durven nemen, noemt de Bijbel dat. ‘Zes dagen lang’, zo luidt één van de Tien Geboden, ‘kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken’. Met andere woorden: gun je zelf de luxe van één dag in de week vakantie. Vakantie komt van het Latijnse werkwoord vacare, dat leeg zijn betekent. Sabbat van een Hebreeuwse werkwoordsvorm die ophouden betekent. Eigenlijk gaat het om de universele wijsheid dat we mensen zijn en geen goden die maar door kunnen zonder daarbij onderuit te gaan. En al waren we goden, zelfs de Eeuwige rust op de zevende dag, zegt één van de twee Bijbelse scheppingsverhalen.

Het sabbatsgebod gaat als volgt verder: “Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw runderen, uw ezels en al uw andere dieren, en ook voor de vreemdelingen die bij u in de stad wonen; want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u’. Het heeft dus uitdrukkelijk ook een sociale kant. Het is zelfs niet in eerste instantie bedoeld voor de grootgrondbezitter, die heeft vrije tijd genoeg, maar om diegenen een vrije dag te bezorgen die op andere dagen misschien wel te hard moeten werken.

Denkend in dat spoor gaan Joodse priesters en wijzen later zelfs nog een stapje verder. In een bepaling die waarschijnlijk stamt uit de periode van de Babylonische ballingschap schrijven zij zelfs een sabbatsjaar voor. Eens in de zeven jaar moet Israël het land met rust laten en mag het niet ploegen, zaaien of oogsten, maar moet men leven van wat van vorige jaren is overgebleven en van wat spontaan groeit. Behalve een soort vakantiejaar voor mens en dier is het ook een soort ecologische maatregel. Niet alleen mensen en dieren, ook de akker mag niet uitgeput raken. Land is er niet alleen om bewerkt te worden, het is ook drager van een aantal andere waarden en die dienen gerespecteerd te worden.
In diezelfde tijd van de Babylonische ballingschap bedenken zij ook nog het jubeljaar, afgeleid van het Hebreeuwse kèren jobel, dat ramshoorn betekent. Aan het begin van dat jaar, dat elk vijftigste jaar plaatsvindt, wordt er op de ramshoorn geblazen en wordt een totale schuldkwijtschelding afgekondigd. Families die door de nood gedwongen in de voorafgaande negenenveertig jaar één of meerdere stukken grond hebben moeten verkopen en daarmee een deel van de economische basis van hun bestaan zijn kwijtgeraakt krijgen dat terug. Daarmee krijgt ieder weer een volwaardige uitgangspositie en worden de sociale verhoudingen in het land weer rechtgezet.

Zowel dat sabbatsjaar als dat jubeljaar zijn in letterlijke zin nooit gepraktiseerd. Zelfs als dat al zou dat wel zo zijn, dan nog zijn ze  onze tijd natuurlijk niet letterlijk in praktijk te brengen. Maar daarmee zijn het sabbatsgebod en zijn verdere uitwerkingen allerminst zinloos geworden. Ze vragen aandacht voor wat nog altijd uitermate relevant is . Werk heeft iets verslavends en net als toen werkt het economisch systeem nog altijd zo dat, als we niets doen, een kleine groep steeds rijker wordt ten koste van anderen die steeds verder achterop raken. Als we geen grenzen stellen ondergraaft dat niet alleen ons eigen welzijn maar de hele samenleving. Rust is in de Bijbel een heilig begrip dat ons wil motiveren obsessief workalcoholisme en ijskoud economisme in onszelf en in de maatschappij tegen te gaan.

Ds. Adri Terlouw
(reageren op deze column? ; terlouwadri@gmail.com )

 

Column – Elke morgen nieuw

‘So schönes Wetter, und – ich noch dabei’, laat de Duitse schrijver Wilhelm Raabe (1831 – 1910) ergens één van zijn figuren zeggen. Alleen al deze ene regel maakt hem voor mij onvergetelijk: “Zulk mooi weer – en ik er nog bij”. De afgelopen weken hebben mijn vrouw en ik het aan de ontbijttafel geregeld tegen elkaar gezegd. ‘So schönes Wetter, und wir noch dabei’. Dat iedere morgen de zon opgaat is één van de vanzelfsprekendste dingen van de wereld. Als iemand met ochtendhumeur dat becommentarieert met een nuchter ‘nou en?’ heeft die het grootste gelijk van de wereld. Toch maakt een stralende morgen ieder die maar een beetje gevoel heeft gelukkig. Net als de thee, de koffie en verse broodjes op de ontbijttafel. Niet voor niets is in één van de boeken van een andere Duitse schrijver, Heinrich Böll (1917 – 1985), het ontbijt één van de gelukkigste momenten van de dag.
In de kerkdiensten waarin ik de afgelopen weken voorging heb ik geregeld als eerste lied opgegeven:
Dit is een morgen als ooit de eerste,
zingende vogels geven hem door.
Dank voor het zingen, dank voor de morgen,
beide ontspringen nieuw aan het woord.
(Liedboek, Zingen en bidden in huis en kerk, gezang 216). En altijd kreeg ik de indruk dat men het van harte mee zong. Een stralende morgen is zinnebeeld van de overwinning van het heldere op het verwarde, van de waarheid op de leugen en de schijnheiligheid, van verlichting en wijsheid op bijgeloof en dwaasheid. ‘Weldra betreedt de zon haar gouden pad om de morgen aan te kondigen, dan zal het bijgeloof verdwijnen en zegeviert de wijsheid’, laat Mozart aan het begin van zijn finale van Die Zauberflöte de drie jongens zingen. Muziek waar je, of je wilt of niet, vanzelf vrolijk van wordt. Geen wonder dat de Bijbel in de opgaande zon op de vroege morgen een verwijzing ziet naar Gods goedheid. Naar het scheppingsverhaal ook, waar chaos langzaam maar zeker plaats maakt voor licht en ruimte. Daarom laat een ander morgenlied uit het liedboek ons zingen:
De trouw en goedheid van de Heer
verschijnt ons elke morgen weer
en blinkt en blijft als dauw zo fris,
zolang het dag op aarde is. (Gezang 207)
Je zou elke ochtend een loflied op de Schepper kunnen aanheffen en je op het nieuwe leven verheugen. Om vervolgens in de avond, bij zonsondergang, de blues te dansen. Als tenminste niet één of andere idioot zich die dag in één van onze steden opblaast. Als je niet een lief mens ontvallen is, of niet al in de vroege morgen door verschrikkelijke pijnen gekweld wordt. Dan besterft de lof je op de lippen en snijden kreten door de lucht. En die kreten worden vragen: Waarom? Waarom zo, en waarom ik?
De titel van mijn column heb ik ontleend aan een vers uit het Bijbelboek Klaagliederen:
Het is de goedheid van de Eeuwige
dat het niet met ons gedaan is
dat Zijn ontferming niet opgehouden is!
Nieuw zijn ze, elke morgen; (hoofdstuk 3 : 22 en 23)
Klaagliederen is een boek dat boordevol met bittere vragen en klachten staat. Lamentationes heet het in het Latijn en er wordt heel wat af gelamenteerd. Ze zijn ontstaan in de Babylonische ballingschap. Onder Judeeërs die alles verloren hadden en waren gedeporteerd naar een ver en vreemd land. In de meeste liederen is de hele gemeenschap aan het woord, in dit lied uit hoofdstuk 3 slechts één enkele mens. Zijn lichaam voelt als een gevangenis en ook zijn geest draait altijd maar weer dezelfde rondjes in de zinloosheid waarin hij opgesloten zit. Maar één ding kan deze mens nog wel: klagen. Door te klagen creëert hij ruimte. Stel je eens voor dat, wanneer je verdriet hebt of als je onrecht is aangedaan, je ook nog de ruimte om te klagen zou worden ontnomen! Dan hebben hel en dood en hun verachtelijke handlangers echt het laatste woord. Zolang we klagen leven we en zijn we weerbaar. Daarom schept klagen lucht. Dat is de reden dat de klacht in de Bijbel alle ruimte krijgt, want voor de Bijbel is God daar waar we weer lucht krijgen.
Is er weer iets van ruimte, hoe miniem ook, dan kun je ondanks alles blij worden van heelt gewone dingen als de opgaande zon. Vandaar dat midden in een klaagpsalm geregeld zo maar de lofzang kan opklinken op toch weer een nieuwe morgen.
Maar ook als het je een redelijk onbezorgd bestaan te leidt waarin ellende en lijden je deur voorbijgaan, kan een mooie morgen je blij maken. En die blijdschap moet je koesteren. Het is de vreugde over de schat aan schoonheid en goedheid die ons met het leven in de schoot wordt geworpen.

Ds. Adri Terlouw
(reageren op deze column? ; terlouwadri@gmail.com )

Column – Dubbelzinnig welkom

De Stille Week staat voor de deur. Voor kerken wereldwijd het hart van het kerkelijk jaar. In tal van kerken is er elke avond van de week een korte viering. Waar dat niet gebeurt, zijn er in ieder geval vieringen op Palmzondag, Witte Donderdag, Goede Vrijdag, Zaterdagavond (Paasnacht) en Eerste Paasdag.
Op palmzondag lezen en overdenken we in de kerken het verhaal van Jezus ‘ intocht in Jeruzalem. Het is een verhaal waarbij je niet zo goed weet of je er nu bij lachen of huilen moet. Het begint blij en aandoenlijk: Jezus die als de koning die vrede en verzoening brengt op een ezeltje de stad binnenrijdt. Als vanzelf neemt het verhaal je mee in het enthousiasme waarmee de menigte hem binnenhaalt. Maar het vervolg blijkt om te huilen. De evangelist doet dan ook wat hij zelden doet, hij laat Jezus huilen : niet om zijn eigen lot, maar dat van Jeruzalem, de stad die verwoest gaat worden, omdat ze niet herkent wat tot haar vrede dient; die ook hem niet heeft herkend. Ze verlangt hartstochtelijk naar vrede, maar is niet in staat de stappen te zetten die daarvoor nodig zijn. Zoals wij bijvoorbeeld hartstochtelijk kunnen verlangen naar een samenleving die minder anoniem is, maar niet loskomen van allerlei patronen die de anonimiteit juist in stand houden. Jezus’ welkom in Jeruzalem wordt zo wel erg tweeslachtig, erg ongemakkelijk.

Dat onbegrip is ook één van de centrale thema’s in de verhalen over Jezus’ lijden en sterven die volgen. Feitelijk weten we maar weinig van wat er destijds rond Jezus’ dood nu precies gebeurd is. In de verhalen lopen feit en fictie door elkaar. Maar één ding is heel duidelijk : Jezus en zijn boodschap worden nauwelijks of niet begrepen. Niet alleen de leiders van het volk willen hem kwijt, ook zijn leerlingen laten het voortdurend afweten. Judas, de verrader, en Petrus, de lafaard, zijn daarvan de prototypen, maar ook over de andere leerlingen valt eigenlijk weinig positiefs te melden. Zo liggen ze als Jezus hun in doodsangst om bijstand vraagt te slapen.
De verhalen over Jezus zijn laatste dagen lijken, al zijn ze pas vele jaren na zijn dood op schrift gesteld, nog vol te zitten van schuld en schaamte over hun aller gedrag destijds. Zelfs de verhalen over de verrijzenis waarmee de evangelisten heel kort hun evangelies afsluiten zitten nog vol twijfels. Kennelijk heeft het even geduurd voor ze langzaam door kregen wat Jezus nu eigenlijk bedoelde en ze zover waren dat ze hem daarin wilden volgen. ‘Werkelijk, deze was een rechtvaardige’, zegt een Romeinse hoofdman die op Golgotha tegenwoordig is bij Jezus executie, als hij gestorven is. Met die belijdenis – ‘Hij had gelijk, niet wij ‘ – begint zijn verrijzenis. Maar om daar daadwerkelijk te komen heeft voor zijn volgelingen langer geduurd dan de symbolische drie dagen uit de verhalen.

In veel kerkelijke gemeentes heerst een diep gevoel van onvrede over het feit dat ze het contact met de rest van de samenleving verloren lijken te hebben. Ze leven immers van een verhaal van verbinding over grenzen heen. Maar tegelijk zijn ze onderworpen aan de dynamiek van alle groepen; hoe langer ze bestaan, hoe meer ze naar binnen gekeerd raken. Daar zit iets van dezelfde dubbelzinnigheid in als in het verhaal over Jezus’ intocht in Jeruzalem. Ook in de samenleving vind je diezelfde dubbelzinnigheid terug. Zo schuilt in het verzet tegen de openstelling van vliegveld Lelystad, onmiskenbaar iets van het besef dat we wat de luchtvaart betreft aan de grenzen staan van wat wenselijk en mogelijk is. Tegelijk blijven we geregeld een stedentrip of andere vliegvakantie boeken.

Het verhaal blijkt dus uiterst actueel. Het laat ons in de spiegel van onze eigen dubbelzinnigheid kijken. Kennelijk hoort die bij ons mensen. Dat roept misschien de vraag op wat je ermee opschiet dat te weten. Waarom zou je in deze spiegel kijken? Voor mij omdat het de eerste stap is om aan je gebrek aan durf en initiatief voorbij te komen en je mee te laten nemen op nieuwe wegen. Ook al zal er altijd iets van dubbelzinnigheid aan ons blijven kleven, wij kunnen ook opstaan uit het graf van onbegrip, onwil en ongemak en nieuwe wegen inslaan. Het is die mogelijkheid die we met Pasen vieren en waarvoor we ons in de Stille Week proberen open te stellen.

Ds. Adri Terlouw
(reageren op deze column? ; terlouwadri@gmail.com )

Column – Geloven

Al sinds eind jaren zestig van de vorige eeuw is geloven in dit deel van de wereld bepaald niet vanzelfsprekend meer. Sinds die tijd heb ik velen de kerk zien verlaten. Ik ben gebleven. Dat verlies aan vanzelfsprekendheid heeft ook zijn positieve kanten. Het dwingt je als gelovige steeds weer opnieuw na te denken over wat geloven voor jou nu precies inhoudt. In ieder geval niet een ongefundeerde aanname van niet te bewijzen gedachtenspinsels. Maar wat dan wel?  Iemand die de vraag, waarom je in hemelsnaam gelooft – maar dan om heel andere redenen – ook vaak krijgt voorgelegd is schrijver/dichter Willem Jan Otten. Opgevoed in een buitenkerkelijk milieu, maakte hij eind jaren negentig bewust de keus lid te worden van de Katholieke Kerk. Voor die keuze heeft hij zich sindsdien diverse keren verantwoord. Zoals in zijn prachtige essay Het wonder van de losse olifanten’ uit 1999, maar ook veel beknopter in een aantal gedichten, zoals het gedicht hieronder uit zijn bundel ‘Welkom’ uit 2008.

REGEN
Je hebt bij Lidde Wittjestien een fiets gehuurd,
vooral omdat het pad scherp scheppend knerpt. 

Er is één enkel schelpenpad, dat weliswaar
zichzelf tegenkomt en snijdt op tal van plaatsen,
maar ook altijd uitkomt op de rede. 

Eerst als het regent geeft het pad iets van zijn grondslag prijs,
en zie je de gillettereis, van naakte slakken die, geribbeld
als bij eb het zand en stulpende met voelhorens, oversteken dwars. 

Je remt. Stapt af. Je schuift je vinger onder zo een slak, hij krult zich
om je heen, een nap van pijn, je legt hem in zijn overzij, stapt op,
je kootje bloedend van het dapper weerloos slijm, 

het moet gedurfd, ik zonder schulp en dan alleen uw wielgekners.

Je moet het een paar keer lezen – het liefst hardop – voordat je goed door hebt wat Otten ons hier zeggen wil. Maar die moeite was het gedicht mij meer dan waard. Het beeld is mooi gevonden. Otten heeft een huisje op Vlieland, en ieder van ons die wel eens op één van de Waddeneilanden was zal het herkennen. Je hebt een fiets gehuurd en maakt een fietstocht over de van schelpengruis knerpende fietspaden. Eigenlijk één fietspad, want altijd kom je weer op hetzelfde punt uit. Voor Otten een beeld van de cirkelgang van de rede waarin wij moderne mensen ons bewegen. Nu heb ik niets tegen de rede. Dankzij de rede kunnen we kritisch zijn en kunnen wij discussiëren en van gedachten wisselen. Maar met diezelfde rede kunnen we ook elk ideaal kapot redeneren en door in de rede te blijven hangen kan je alle verwondering verliezen. Redelijkheid ontaardt voor je het in de gaten hebt in een pantser waarmee wij ons afschermen voor de werkelijkheid en ons anderen van het lijf houden. Het is precies die beperking van de rede waar Otten in dit gedicht de vinger bij legt. Vervolgens gaat het regenen. De bodem onder het schelpenpad wordt zichtbaar en uit de bermen komen naaktslakken tevoorschijn die het fietspad oversteken. Je remt. Stapt af. Je schuift je vinger onder zo een slak, hij krult zich om je heen … je legt hem in zijn overzij. De verrassing van het gedicht – en daarmee de clou – zit in de laatste regel: Het moet gedurfd, ik zonder schulp en dan alleen uw wielgeknars. De dichter is opeens niet meer de fietser, maar die slak, die zonder schulp het pad oversteekt. Ook de dichter Guido Gezelle gebruikte dit beeld van de slak trouwens geregeld voor zichzelf . Het pad dat eerst nog beeld was van de rede, wordt nu beeld van het leven dat veel rijker en dieper is dan met de rede te beschrijven valt. Geloven blijkt zo iets als je zonder pantser op dat pad begeven. Het leven in al zijn felheid leven en ondergaan. Met alle verwondering en alle pijn die daarbij hoort. In dat alles verneemt het geloof de vraag om het leven in al zijn felheid lief te hebben en er verantwoordelijkheid voor te nemen. Dat is dat ‘wielgekners’. Dat is alles wat ik over God kan zeggen. Wie zijn oor op de schelpen te luisteren legt, hoort Hem komen. Dat is wellicht minder dan vorige generaties over Hem meenden te weten. Maar het is genoeg. En wat de liefde en de verantwoordelijkheid voor het leven betreft – gelukkig blijk ik die te kunnen delen met anderen, ook al geloven zij niet of anders dan ik. 

Ds. Adri Terlouw
(reageren op deze column? ; terlouwadri@gmail.com )

 

Column – Redder

REDDER

Afbeelding: Gerard van Honthorst, Aaanbidding van het kind, circa 1620

Kernzin in het bijbelse kerstverhaal zijn de woorden ‘ Vandaag is jullie redder geboren’. Eerlijk gezegd houd ik niet zo van dat woord redder, al laten grote leiders zich graag zo noemen. De Romeinse keizers deden het, Mussolini, Stalin. En dichterbij: Robin Mugabe zag zich tot voor kort als de redder van Zimbabwe. In Nederland hebben we er in Thierry Baudet onze eigen enigszins komische variant van. Hij zal de Nederlandse cultuur gaan redden. Maar ik heb het er niet zo op. Het loopt nooit goed af met redders. Voor die tijd hebben ze meestal een hoop ellende veroorzaakt. Eerlijk gezegd geloof ik er ook niet in. Grote vraagstukken genoeg, maar redders die ze in één klap voor ons oplossen – vergeet het! Dat loopt altijd op een teleurstelling uit. Ook van de uitspraak ‘Jezus redt’ krijg ik de kriebels. Voor je het in de gaten hebt is ook dat een nietszeggende leus.

Maar bij dat zinnetje ‘Vandaag is jullie Redder geboren’ in het bijbelse kerstverhaal ligt het anders. De ouders van deze ‘redder’, Jozef en Maria, zijn twee aan lager wal geraakte leden van het oude Joodse koningshuis. Ze hebben volstrekt niets meer in de melk te brokkelen. Judea is een Romeinse provincie en wordt met harde hand geregeerd door een Romeinse stadhouder. Als er vanuit het verre Rome een bevel komt van keizer Augustus dat ze onmiddellijk naar Bethlehem moeten afreizen om zich daar te melden vanwege een nieuwe Romeinse belastingmaatregel hebben ze geen andere keus dan te gaan. Net als al die anderen. Al komt het dan vanwege de zwangerschap van Maria buitengewoon slecht uit allemaal. Uiteindelijk moet ze ver van huis haar kind ter wereld brengen. In een stal nog wel. Ongelegener kon het niet komen. Wel zorgt het voor een  onverwachte wending in hun leven. Leek er tot nu toe voor hen niets anders op te zitten dan de gebeurtenissen gelaten over zich heen te laten komen, die ongelegen geboorte maakt hen opeens actief. Ze hebben een kind. Daar moeten ze voor zorgen. Dat doen ze dan ook, al ontbreekt het hen daarvoor vrijwel aan alle middelen. De druk van het moment maakt hen opeens heel vindingrijk. Ze wikkelen hun kind in een paar doeken en leggen het bij gebrek aan een wieg in een voerbak. Dat hele gevoel van dat ze er totaal niet toe doen, waarmee het verhaal begint als ze zich opmaken om van Nazareth naar Bethlehem te reizen, is opeens weg. Ze hebben een kind. Vanaf nu doen ze er wel toe. Als even later de herders te horen krijgen van de geboorte in de stal gebeurt er met hen iets soortgelijks. Het verandert hen van ruwe harde kerels in attente kraambezoekers. Wat een pasgeboren kind allemaal niet teweeg kan brengen!  Ook als het onder zulke erbarmelijke omstandigheden ter wereld komt.
Ook dat is redding! Van onbeduidendheid en machteloosheid. Maar het is wel een redding van een hele andere orde als waar wij doorgaans aan denken als we het woord ‘redder’ horen.

Geen wonder dat Lucas, de schrijver van dit bijbelse kerstverhaal, een engel bedenkt om die geladen zin ‘ Vandaag is jullie redder geboren’ uit te spreken. Hij laat het hem bovendien in de directe rede zeggen, zodat die engel over de hoofden van de eerst geadresseerden ook alle latere hoorders en lezer van het verhaal aanspreekt. Ons incluis: Vandaag is jullie redder geboren. Dat betekent dus niet dat er iemand komt of komen zal die al onze problemen komt oplossen of die voor ons de vaak zo ondoorgrondelijke gang van het lot zal keren. Zulke redders bestaan niet. Als ze zich al aandienen –laten we ze vooral wantrouwen. Laten we vooral ook niet denken dat we het zelf zouden kunnen en moeten zijn. Als Lucas ook tegen ons lezers van nu zegt: ‘vandaag is jullie redder geboren’, bedoelt hij dat ook wij, wanneer wij onze oren en ogen goed openzetten, zullen horen: ‘nu komt het op jou aan’. Als ik met dit verhaal in mijn achterhoofd mijn leven ‘afluister’, kan ik bijvoorbeeld horen, dat er een mens is die mij nodig heeft. Of ik hoor, dat ik nu niet langer  zwijgen mag maar dat het tijd wordt dat ik mijn mond open doe, op eigen benen ga staan. Of net andersom: ik hoor, dat ik het nu los mag laten.
Hoe het gezegd zal worden is altijd weer een verrassing. Maar als we bereid zijn het niet alleen in het grote, het totale en het bekende te zoeken, valt  tussen alles wat het leven brengt ook altijd weer te horen: Jou leven is van betekenis. Je doet er toe. Hoe hard die betekenis ook ontkend wordt, of hoe diep we het verlangen naar betekenis ook hebben weggestopt.

Ds. Adri Terlouw

 

Column – de kracht van muziek

De kerk van Lekkum is gewijd aan Cecilia, de patroonheilige van de musici. Wat we over haar weten is uiterst beperkt. Eigenlijk alleen dat ze in de derde eeuw in Rome als martelares gestorven is. Daarna blijft het een aantal eeuwen stil. We zijn al twee eeuwen verder als we voor het eerst bronnen tegenkomen waarin sprake is van het vieren van haar naamdag. Op 22 november. Pas in de dertiende en veertiende eeuw komen de verhalen over haar los. Zo is er de Legenda Aurea, een verzameling heiligenlegenden, geordend volgens het kerkelijk jaar, uit omstreeks 1275. Die tekent Cecilia als een dappere vrouw, die tegen de druk van haar omgeving in haar geloof trouw blijft en haar zuiverheid weet te bewaren. In een poging haar in het gareel te krijgen dwingt haar familie haar om te trouwen met de Romeinse officier Valerianus. Maar in plaats van haar in de huwelijksnacht tot zijn vrouw te nemen wordt hij haar maatje en medestrijder in het geloof. In dat verhaal komen we ook een eerste link met de muziek tegen. Te midden van de bruiloftsmuziek (in het Latijn staat er: cantatibus organis) zingt Cecilia in haar hart een eigen lied en vraagt daarin om staande te mogen blijven.

Dat ene zinnetje werd voor de beroemde schilder Rafaël  de aanleiding om haar in 1515 te schilderen met de gebroken instrumenten van het bruiloftsorkest aan haar voeten en een orgeltje in haar handen. Dat laatste heeft weer te maken met het feit dat in Rafaëls tijd het orgel aan een opmars bezig was. Mede omdat men inmiddels in staat was orgels te maken die vele malen groter waren dan de kleine tafelorgeltjes zoals die voor het eerst gemaakt werden in de derde eeuw, de tijd waarin Cecilia leefde. Het schilderij van Rafaël werd een voorbeeld voor andere schilders die van een kerk de opdracht kregen om een schildring van Cecilia te maken. Zo werden muziekinstrumenten en met name het orgel tot vaste attributen van Cecilia. Dat zij patroonheilige van de musici werd was daarna nog maar een kleine stap. Als in 1584 in Rome een nieuwe muziekacademie wordt geopend, krijgt die de naam Sint Cecilia.

Boven het hoofd van de heilige schildert Rafaël een open hemel. Hij verbindt muziek met de hemel, met het Transcendente. Muziek heeft het vermogen onverwachte en nieuwe dimensies te openen.

De dichteres Vasalis heeft daar ooit een prachtig gedicht over geschreven. Het gaat over een fanfare – korps dat op een mooie zomeravond zijn klanken door de bladeren van de bomen spuit en daarmee aan heel uiteenlopende gevoelens van het luisterend publiek een naam geeft. Dan maken zich in het tweede deel van het gedicht uit die bonte mengeling van klanken opeens twee hoorns los die een solo spelen:

En even plots werd dit geklater gedempt,
twee koopren kelen weenden…
-over het donkergroene water
gleden twee smalle witte eenden
geluidloos als een droombeeld voort-
De horens, smekend en gesmoord
schenen hen dringend iets te vragen
hen volgend met haast menslijk klagen.
Een warm en onverwacht verdriet,
eerbied voor de gewoonste dingen, n
eiging om hardop mee te zingen.
en dan te huilen om dit lied
ontstond in mijn verwend gemoed.
Ik voelde me bedroefd en goed.

Muziek kan net als poëzie een intense ontroering oproepen en je van daaruit de werkelijkheid op een nieuwe manier doen beleven. De dichteres noemt zich verwend. Zij was weliswaar heel tevreden, maar het luisteren naar die twee horens en het kijken naar die twee witte eenden die over het donkere water glijden brengen haar bij een dimensie waarmee ze het contact was kwijt geraakt. Dankzij de muziek vindt zij de eerbied voor het gewone en daarmee de verwondering terug. Zij voelt de neiging om hardop mee te zingen. Tegelijk moet ze huilen. Niet alleen van blijdschap, maar ook van verdriet omdat ze zolang van dit intense beleven van de dingen afgesneden is geweest. De dingen zo beleven als zij nu doet blijft nu eenmaal altijd een moment. Het gaat onherroepelijk ook weer voorbij, zoals muziek onherroepelijk ook weer verklinkt.

Ds. Adri Terlouw

Column – Geen halal-slagerij maar een groenteman

Leefbaar Rotterdam gaat bij de gemeenteraadsverkiezingen komend voorjaar samenwerken met Forum voor Democratie van Thierry Baudet. Toen ze hun samenwerkingsverband  presenteerden twitterde Jos Eerdmans van Leefbaar: ‘Rotterdammers in oude wijken willen geen halal-slagerijen, maar een Nederlandse groenteboer. Tijd voor een nieuwe vestigingswet!’  Dergelijke simplificaties en overdrijvingen lijken inmiddels zo gewoon geworden in de politiek, dat je er met een schouderophalen aan voorbij zou kunnen gaan, ware het niet dat mensen als Baudet en Eerdmans met dergelijke opvattingen toch wel zo’n 12 procent van het electoraat aan zich weten te binden en bewerkstelligen dat ook partijen in het midden steeds meer nadruk gaan leggen op identiteit.
Waarom vinden zij zoveel weerklank? Coffeeshops en pornowinkels accepteren we als normaal, maar aan een Islamitische slagerij ergeren we ons. Als het over kleding gaat, vinden we dat iedereen vrij moet zijn om te dragen waar hij of zij zich prettig bij voelt, maar bij  moslimvrouwen met een hoofddoek reageren we opeens heel anders. Wat zit daarachter?

Dat een groep mensen in onze samenleving anders eet en zich anders kleedt dan de meerderheid en zich daarbij ook nog eens op een heilig boek beroept, confronteert ons ermee dat zij er fundamenteel andere opvattingen over goed leven op na houden dan wij. Is de hoofddoek voor ons een symbool van onderdrukking, voor de meeste moslimvrouwen is het een bescherming van hun waardigheid. Zij hebben juist kritiek op de kledingstijl van westerse vrouwen. Hun losse kledingstijl is voor hen, al is het onder het mom van vrijheid, juist een vorm van onderwerping aan de blik van de man is. Migratie heeft uiteenlopende visies op wat goed leven is in elkaars onmiddellijke nabijheid gebracht. Verschillende visies op het bestaan en op elkaar en op wat nagestreefd moet worde kruisen elkaar. Mensen ontdekken dat ze verschillend zijn op een manier die snelle harmonisering onmogelijk maakt. Over die hoofddoek word je het niet zomaar eens en misschien wel nooit. En dat roept grote spanningen op.

In grote lijnen dienen zich dan twee strategieën aan. De ene – waarvan Jos Eerdmans de harde variant propageert – is dat onze cultuur zo zeer verschilt van de cultuur van moslimmigranten dat we eigenlijk alleen maar kunnen kiezen welk van beide we zullen laten gelden. En dan kiezen we natuurlijk voor de onze, want dat is die van de meerderheid en die heeft hier de oudste papieren. De andere reactie is die van de relativering: wat het beste is en wie van beide gelijk heeft valt nooit uit te maken, dus laat beide manieren van leven naast elkaar bestaan en geef elkaar daarvoor de ruimte.

Voor mij doen beide strategieën geen recht aan de situatie. De eerste leidt tot een dictatuur van de meerderheid, de tweede tot een relativering die aan de gevoelens van geen van de betrokkenen recht doet. Wie vindt dat je vrij moet zijn in wat je eet en hoe je je kleedt, vindt dat meer dan ook maar een mening. Andersom geldt hetzelfde. Hier botsen niet slechts meningen maar fundamentele opvattingen over wat goed leven is.

Mij staat wat anders voor ogen. Zolang wij niet met andere visies geconfronteerd worden is mogelijk het leven te zien als een verzameling problemen waar we met elkaar ook een aantal min of meer bevredigende oplossingen voor hebben gevonden. Geconfronteerd met de meningen van anderen blijken die niet zo absoluut te zijn als we dachten en stelt de wereld ons dus opnieuw de vraag hoe ze gezien moet worden en hoe wij in en met haar zouden moeten en kunnen leven. Dat is lastig. Maar dat is niet het enige. Het opent ook de mogelijkheid dat er voor beide partijen hele nieuwe inzichten opengaan en de dingen een heel nieuwe tot nu toe ongekende betekenis krijgen. Concreet zou dat nieuwe het besef kunnen zijn dat we met alle in één wereld leven en dat we met alle verschillen geroepen zijn die wereld samen leefbaar en bewoonbaar te houden. Zo’n nieuw perspectief zet alles wat we tot nu toe meenden te weten over wat goed leven is in een nieuw perspectief en vraagt ons dat te herijken.

Deze derde benadering hangt voor mij ten diepste samen met mijn geloof. Geloof is, in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, niet met onwrikbare zekerheid één perspectief als het ware poneren, maar het vermogen en de durf het leven met vertrouwen tegemoet treden, in het besef dat ons zicht op wat waar en goed is in principe beperkt is en ons steeds weer opnieuw gegeven moet worden.

Ds. Adri Terlouw

Column – Vrede

De meeste religies en culturen veroordelen oorlog en zijn voor vrede. Desondanks raken ze geregeld betrokken in gewelddadige conflicten. En daarbij hoef je niet alleen aan radicale moslims te denken. Onlangs las ik nog weer eens hoe gemakkelijk Tony Blair en Jan Peter Balkende zich in 2003 zich door Bush lieten meeslepen in de oorlog tegen Irak. Alles uit naam van de vrede. Vrede blijkt moeilijker dan je op het eerste gezicht denkt. Wie in een oorlog risico’s neemt, wordt een held. Doe je dat ter wille van de vrede, dan word je al gauw voor een verrader versleten en loop je het risico vermoord te worden. Dat overkwam o.a. Gandi, Martin Luther King, Anwar el – Sadat en Jitschak Rabin. Dat vrede verraad kan lijken heeft te maken met het feit, dat vrede compromissen impliceert. Je moet je met minder tevreden stellen dan je zou willen. Zelfs in een Nederlandse kabinetsformatie met minieme verschillen tussen de partijen blijkt dat moeilijk. Vrede heeft niets van de zuiverheid en de helderheid van de oorlog. In een oorlog gaat het om zelfverdediging, nationale eer, vaderlandsliefde, trots. Er is sprake van ‘wij’ tegenover ‘zij’. Dat is helder en duidelijk. Vrede heeft iets troebels. Zelfs de grenzen tussen ‘wij’ en ‘zij’ moeten opnieuw getrokken worden. Daarmee moet ook de eigen identiteit opnieuw bepaald worden. Dat alles maakt vrede moeilijk.

Wanneer wij daarom de vrede aanprijzen, bedoelen wij daarom in het algemeen vrede op onze voorwaarden. Meestal loopt de redenering als volgt: Als de wereld zou instemmen met onze diepste overtuigingen, zou er vrede zijn. En hoe kan de wereld dat nu niet willen? Onze diepste overtuigingen hebben immers het welzijn van alle mensen op het oog. Het is opvallend dat er wat dit betreft nauwelijks verschil is tussen fundamentalistische vormen van geloof en aanhangers van ons moderne westerse seculiere liberalisme. Deze opvatting van vrede is deel van het probleem, niet van de oplossing. Zij houdt namelijk geen rekening met de onuitwisbare verschillen tussen culturen, religies en overtuigingen. Die zijn zo oud uit de wereld. Ze horen bij het leven. De hoop dat ooit heel de wereld ons geloof of ons seculiere liberalisme zal omarmen, of dat wij dat de ander desnoods met geweld zullen kunnen opleggen zal daarom altijd ijdel blijken. Vrede kan alleen betekenen: bereid zijn samen te leven met hen die een ander geloof hebben, een ander heilig boek en andere levensovertuigingen. Met alle compromissen, terughoudendheid en wederzijds respect die daarbij horen.

Rond het begin van onze jaartelling, ongeveer in dezelfde tijd dat het Nieuwe Testament ontstaan is en het christendom nog een richting binnen het Jodendom was, hebben Joodse Rabbijnen voor hun gemeenschap een aantal regels geformuleerd waarmee die een daadwerkelijke bijdrage zou kunnen leveren aan de vrede. Ze noemden ze ‘wegen naar vrede’ en luiden als volgt: “Omwille van de vrede moeten de armen onder de heidenen ondersteund worden zoals we de armen onder Israël ondersteunen. Omwille van de vrede moeten de zieken onder de heidenen bezocht worden zoals wij de zieken van Israël bezoeken, en de doden van de heidenen moeten begraven worden zoals wij de doden van  Israël begraven.”

Zo geformuleerd is vrede een genereuze vorm van pragmatisme zonder de bedoeling te hebben de verschillen in levenspraktijk en levensovertuiging tussen ons en de anderen te overwinnen. Deze regels veronderstellen dat er alle verschil tussen mensen toch een gemeenschappelijke taal is. Die van het vermijden van onrecht en het lenigen van leed. Armoede is vernederend, ongeacht of je Jood bent of niet. Daarom moet ze bestreden worden. Met alle mensen delen we een aantal basisbehoeften. Voor deze Joodse wijzen is het erkennen en respecteren daarvan de weg om in een wereld vol verschil iets van vrede gestalte te geven. Het beste dat we daarin kunnen hopen is niet dat we het eens worden maar dat we verder kunnen met elkaar. Geen consensus, maar een manier om met alle verschillen toch met elkaar samen te kunnen leven. Het mist de heroïek van het ‘Alle Menschen werden Brüder’ uit het slotkoor van Beethovens negende symfonie, maar het lijkt me de enige weg om iets van vrede te bereiken.

Ds. Adri Terlouw

Column – Het lef hebben een zondaar te zijn

In de column van collega Jean Jacques Suurmond in dagblad Trouw van dinsdag 25 april kwam ik een verrassend citaat van Maarten Luther (1483 – 1546) tegen. Aan zijn altijd wat wankelmoedige vriend Melanchton schreef hij ooit : ‘Heb het lef om een zondaar te zijn’. Dat was geen aansporing om eens flink de beest uit te hangen, maar om de moed te hebben eigen fouten onder ogen te zien en toe te geven. Wie dat  doet, levert zich uit aan de welwillendheid van anderen. Dat is één van de redenen waarom het zo moeilijk is, want van die welwillendheid ben je van te voren nooit zeker. Luther heeft dan ook een hele weg afgelegd voor hij dit schrijven kon.

 

Al was Luther de initiator van de kerkhervorming en stond hij mee aan de basis van het moderne Europa, hij was ook voluit een Middeleeuwer die de angsten en onzekerheden van zijn tijdgenoten deelde. In Luthers dagen was het leven kort en van alle kanten bedreigd. Geregeld waren er pestepidemieën, in het Zuid – Oosten rukten de Turken op, en intern werd Europa verscheurd door oorlogen en conflicten. De dood loerde overal. Velen werden niet ouder dan 30 of 40 en de kindersterfte was hoog. Na de dood, zo predikte de kerk, wachtte het vagevuur, een onaangename plek waar je al naar gelang de ernst van je in het leven begane misstappen kortere of langere tijd moest doorbrengen om die zonden te boeten aleer je misschien uiteindelijk de eeuwige gelukzaligheid zou mogen betreden. Als mens van zijn tijd leefde ook Luther met dit dreigend perspectief. Dus deed hij zijn uiterste best zo goed mogelijk te leven. In de hoop dat God hem dan goed genoeg zou vinden en na zijn dood zou vrijspreken. Maar wat hij ook probeerde, de onzekerheid bleef knagen: was het echt wel goed genoeg? Je hoeft niet in vagevuur of hel, en zelfs niet in God te geloven, om daar toch wat van te herkennen. Zo kun je zelf de lat zo hoog leggen dat je altijd tekort schiet. Dertigers van nu blijken van mijn generatie die hen heeft opgevoed vaak het beeld te hebben meegekregen dat, als ze willen, alles mogelijk is. De praktijk is natuurlijk anders. Geen wonder dat ze nog al eens het  gevoel hebben gefaald te hebben. Met zulke torenhoge verwachtingen kun je niet anders dan je zelf tegenvallen. Dat is een verhaal waarin God niet voorkomt. Toch lijken de problemen waar zij tegenaan lopen als twee druppels water op het probleem van Luther. Je doet het nooit goed genoeg. Tegelijk probeer je naar buiten op LinkedIn en Facebook de schijn ophouden dat je het heel goed doet. Daar word je niet gelukkig van. Ook Luther werd van dat streven naar perfectie doodongelukkig.

Het was door de bestudering van de brief van Paulus aan de Romeinen dat Luther uit deze impasse kwam. In Romeinen 1 : 17 schrijft Paulus: ‘Het evangelie van Christus is een kracht van God tot behoud, want daarin treedt zijn gerechtigheid aan het licht; wie daarop zijn vertrouwen stelt, kan het leven aan’. Woorden waarop hij al vele malen zijn tanden had stukgebeten. ‘Gerechtigheid’ interpreteerde hij namelijk vanuit zijn eigen Middeleeuwse taal – en gedachtewereld zo, dat God ieder het zijne geeft en daarbij geen enkel tekort door de vingers ziet. Hij haatte daarom dit woord van Paulus en begreep niet hoe Gods straffende gerechtigheid ooit bron van leven en vreugde kon zijn. Dankzij grondige studie van het Hebreeuws ontdekte hij dat ‘gerechtigheid’ in de Bijbel heel wat anders betekent. Het heeft niet met veroordelen maar met bevrijden te maken. Mens worden doe je met vallen en opstaan. Dat je daarbij fouten maakt leidt er  niet toe dat God zijn neus voor ons ophaalt. Integendeel: in zijn gerechtigheid schenkt hij ons het vertrouwen een nieuw begin te maken. Geloven is niet het aannemen van een aantal al dan niet bovennatuurlijke waarheden, het is leven vanuit dit vertrouwen. Je krijgt dan het lef wat fout ging fout noemen zonder daarbij jezelf en anderen af te schrijven. Met de woorden van Luther : Je krijgt het lef een zondaar te zijn. En hij voegde eraan toe: ‘maar vooral ook om vrolijk te zijn in Christus’. Je zou ook kunnen zeggen: je krijgt de kans een Paasmens te zijn. Je fouten onder ogen te zien is dan de eerste opstap naar een nieuw begin.. Ds. Adri Terlouw

Column – Passie

Half april is het Pasen met daaraan voorafgaande de Stille Week. De kerk overdenkt dan het lijden en sterven van Jezus. Ook wie niet naar een kerk gaat, zal dat nauwelijks kunnen ontgaan. In die zelfde week zal Leeuwarden op donderdag 13 april het decor van de Passion zijn. Daarvoor zal op tal van plekken in het land de Passionsmuziek van Bach te horen zijn. Zowel zijn Mattheüs – als zijn Johannespassion. Dat het verhaal van Jezus’ kruisiging nog altijd zo’n centrale plek heeft in onze cultuur is verbazingwekkend. Want hoe vaak het ook bezongen wordt, het blijft een verbijsterend verhaal.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de oudste afbeelding van Jezus aan het kruis een spotprent is. Het is een stuk graffiti uit de eerste helft van de derde eeuw, het zogenaamde spotcrucifix van de Palatijn, één van de zeven heuvels van Rome. Het is een onbeholpen tekeningetje, gekrast in het steen van een school waar pages werden opgeleid voor het keizerlijk paleis in Rome. We zien een mannetje dat met opgeheven handen bij een gekruisigde figuur met een ezelskop staat, compleet met ezelsoren. Daaronder staat: ‘Alexamenos aanbidt zijn God’.  Het maakt duidelijk hoe de doorsnee Griek of Romein tegen het vroege christendom aankeek: een godsdienst afkomstig van armen, van Joden, van slaven en vrouwen die iemand vereren die de meest oneervolle dood is gestorven die maar denkbaar is en die daar nog trots op zijn ook. Wie de zaken zo op hun kop zetten, zijn niet beter dan ezels. Die verbazing is van alle tijden. Zo wees de Duitse filosoof en vriend van Richard Wagner Friedrich Nietzsche (1844 – 1900)  er graag op dat het christendom gebaseerd is op een mislukking. Immers het koninkrijk van God dat hij aankondigde is niet aangebroken en hij zelf schoot het leven erbij in. Maar voor het Nieuwe Testament is juist dit verhaal van Jezus kruisiging hoogste wijsheid. Het kruis van Jezus spoort ons aan de werkelijkheid vol in het gezicht zien, ook als die pijn doet. Pas dan kun je zien waar het op aan komt. Hoe dan, dat vertelt bijvoorbeeld de Amerikaanse journaliste en sociale activiste Dorothy Day (1897 – 1980). Ergens is de jaren dertig van de vorige eeuw komt ze in de bus tegenover een zwarte zwerver te zitten. Opeens, schrijft ze later, worden haar de ogen geopend en ziet ze waar ze tot dan toe blind voor was: de samenleving die armen creëert, haar eigen afkeer van de man en zijn volhouden, ondanks alles. Ze huilt, omdat ze het allemaal tegelijk ziet: de zonde van de wereld, haar eigen zonde en de hoop op verlossing. Die toevallige ontmoeting zet haar leven op een ander spoor en ze ontwikkelt zich tot een gedreven, sociaal voelende persoonlijkheid, die tijdens de Grote Depressie van de jaren 1930 gaarkeukens en nachtverblijven voor werklozen en daklozen opricht. Later krijgt ze de bijnaam van Moeder Theresa van New York. In ons deel van de wereld kun je de confrontatie met eigen en andermans kwetsbaarheid lang uit de weg gaan. Maar vroeg of laat raken wij allemaal gewond en beschadigd. Je daar voor openstellen kan een milder, meevoelender en barmhartiger mens van je maken.

Toch blijft het een verbijsterende boodschap. Een gekruisigd en doodgemarteld lichaam als bron van heling. Wennen doet dat nooit. En dat moet ook zo blijven. Een dwaasheid, zoals de apostel Paulus het ergens noemt. Alleen zo, als dwaasheid, kan het een toegang tot verlossing zijn. Confrontatie met lijden blijkt meer te doen dan alle betekenis wegvagen – dat doet het ook – het kan ook de bron worden van verlangen naar gerechtigheid en van mededogen. Het is die omkering die zich oog in oog met het lijdensverhaal van Jezus nog altijd aan ons voltrekken wil. Ds. Adri Terlouw