Activiteiten – Kerstviering en nieuwjaar

KERSTVIERING VOOR SENIOREN

Samen met de ouderensoos organiseren we op dinsdagmiddag 20 december een kerstviering voor ouderen. We beginnen om 16.00 uur  met een bijeenkomst in de kerk. Er is dan muziek, samenzang, een kerstverhaal, kerstbrood en koffie/thee, en niet te vergeten de warmte en de gezelligheid van het samenzijn in kerstsfeer. Aansluitend is er in De Weme een feestelijke broodmaaltijd. U bent van harte welkom.

KERSTNACHTDIENST

Maandag 24 december om 19.30 uur is onze kerstnachtdienst. Aan de dienst wordt meegewerkt door een koor met dorpsgenoten o.l.v. Foppe Reitsma en een fluitkwartet o.l.v. Jinke Lyklema – van Weringh. Het is een dienst voor alle leeftijden. Voorgangers zijn onze beide predikanten: ds. Hinke Post – Knol en ds. Adri Terlouw. De collecte is voor Kinderen in de Knel, het kinderprogramma van Kerk in actie. Het zet zich in voor kinderen in bijzonder moeilijke omstandigheden in binnen en buitenland. Nadere informatie op www.kinderenindeknel.nl

NIEUWJAARSBIJEENKOMST

Onze eerste kerkdienst in 2019 is op 6 januari a.s., Driekoningen. De dienst heeft het karakter van een kort morgengebed, aansluitend is er een nieuwjaarsbijeenkomst. Daar is koffie en thee; voor de kinderen is er fris; en natuurlijk is er volop gelegenheid elkaar nieuwjaar te wensen.

Column – Geboorte


Afbeelding : Emil Nolde (1867 – 1956),Weihnachten

Hij kwam wel hoogst ongelegen die geboorte uit het kerstverhaal. Onderweg, ver van huis, in een stal. Maar het leven stoort zich daar niet aan en een geboorte laat zich daardoor niet ophouden. Leven wil leven, ongeacht de omstandigheden. En dus blijven er kinderen geboren worden. Ook als ons dat niet past. Ook op plekken die wij daar verre van geschikt voor vinden: Onderweg. Op de vlucht. In kampen. Leven wil leven. En mensen blijven van een toekomst dromen. Ook tegen de klippen op. Dus zullen ze voorlopig blijven komen: die jonge mensen uit Afrika. Wat voor maatregelen we ook tegen nemen en of het ons nu uitkomt of niet.

Die ongelegen geboorte – dat niet te stuiten feit dat het leven zijn eigen gang gaat en leven wil – doet in het kerstverhaal alles kantelen. Tot die geboorte lijkt het of Jozef en Maria er volstrekt niet toe doen. Er gaat een gebod uit van keizer Augustus en allen gaan op reis. Ook Jozef en Maria hebben maar te gaan. Dat ze nog uit het huis en het geslacht van koning David stammen – het maakt niet uit.

Dat Maria hoogzwanger is – het doet er niet toe. Daar houdt de keizer geen rekening mee. Wat dat betreft is de wereld nog niet zo veel veranderd. Als er een oorlog woedt, als er grote economische en politieke belangen op het spel staan – ach, wat doen dan het leven en het geluk van een gewoon mens er toe. En al gauw gaan je dan ook zelf denken: Ach, wat doe ik er eigenlijk toe! Wat maakt het uit dat ik er ben! Jozef en Maria – ze doen er niet toe.

Over hen wordtbeslist.

Tot op het moment dat het uur aanbreekt dat Maria haar eerstgeboren kind ter wereld brengt. Dan schakelt het leven hen in en doen zij er opeens wel toe. Dan moet er een wieg komen, en Jozef maakt de kribbe gereed. Hun kind moet worden aangekleed en gevoed, en Maria wikkelt hem in doeken, geeft hem de borst, en wiegt hem in slaap. Al die oer-gebaren van de mensheid waarvan onze kerstliederen zingen. Van passief worden zij actief. Van machteloos verantwoordelijk. En zodra de herders van deze geboorte in hun stal gehoord hebben, komen ook zij in beweging. En dat allemaal door die geboorte. Van lijdend voorwerp worden ze onderwerp. Mensen die handelen. Door die geboorte doen zij er opeens wel  toe, en zo krijgen ze hun waardigheid terug.

Dat is precies wat het kerstverhaal ons vertellen wil: Dat wij ertoe doen. En onze redding is: dat we ons dat laten zeggen, en onze onverschilligheid, dat het onze tijd wel duren zal omdat wij er toch niets aan kunnen doen, van ons afschudden en onze verantwoordelijkheid nemen. Want het leven gaat zijn gang en heeft ons nodig. Er worden kinderen geboren – en die vragen om een toekomst. Vluchtelingen vragen om een thuis. Ook een dakloze is een mens en wil als mens gekend zijn. Ook die jongen en dat meisje die op school niet mee komen hebben hun talenten en willen dat er anderen zijn die hen helpen die te ontdekken en te ontwikkelen. Kinderen en kleinkinderen hebben ons nodig om wegwijs te worden in de complexe samenleving van vandaag.

De natuur is zo divers en zo ongelooflijk veelkleurig – en die rijkdom wil gezien en beschermd worden. Dus maakt het uit, hoe wij onze tijd indelen, ons werk doen, onze vrije tijd besteden, wat wij eten en drinken. Kortom hoe wij leven. Als wij ziek zijn – hoe wij onze ziekte dragen. Als wij doodgaan – hoe wij sterven.

Het kerstverhaal haalt ons uit de schaduw van de machten waar we ons zo vaak zo machteloos aan voelen overgeleverd – tijdsdruk, geld, winstbejag, efficiëntie – en geeft ons onze waardigheid terug.

Wij doen er toe! Dat is wat deze geboorte, iedere geboorte en het feit dat het leven onstuitbaar zijn gang gaat, ons te zeggen hebben.

Dat mag je inderdaad redding noemen.Ds. Adri Terlouw
reageren op deze column?: terlouwadri@gmail.com

Meezingen met het kerstkoor

In de dienst van kerstavond 24 december kunt u meezingen in het gelegenheidskoor o.l.v. Foppe Reitsma. De repetities zijn op 25 november en 2, 9, 16 en 23 december in de kerk. Steeds om 12.15 uur, behalve op 23 december. Dan repeteren we om 11.00 uur. U kunt zich opgeven bij Jinke Lyklema – van Weringh, via e – mail: info@kerklekkum.nl.

Column – onvolmaakt

Toen ik begin jaren tachtig van de vorige eeuw predikant op Ameland was, reed daar in de zomermaanden een aantal jaren lang een vrolijk versierde Duitse VW-bus rond met het opschrift “Nobody is perfect”. Ik vond dat een opmerkelijke combinatie: die vrolijke kleuren met die weliswaar realistische, maar toch zeker niet fleurige boodschap, dat we allemaal geregeld fouten maken. Dat schuld en tekortschieten onderdeel is van wat wij doen is een realiteit waar onze cultuur namelijk moeite mee heeft. Vandaar dat we proberen fouten, als we die maken, te verhullen en de verantwoordelijkheid ervoor buiten onszelf te leggen. Hetzij bij anderen, hetzij in de omstandigheden. Als dat niet meer lukt, en de verantwoordelijkheid komt bij ons zelf te liggen, kan je er in de regel op rekenen hardhandig te worden afgerekend. Dat is niet een gunstig klimaat om van fouten te leren. Terwijl je zou zeggen, dat dat toch nu juist de bedoeling is.
Ik ben ervan overtuigd dat het religieuze wereldbeeld ons op dit punt echt verder zou kunnen helpen. Religie erkent : Wij zijn inderdaad niet volmaakt. Dat is pijnlijk, maar dat maakt ons nog niet waardeloos. Natuurlijk moeten we proberen de dingen zo goed mogelijk te doen, maar of wij van waarde zijn of niet hangt daar niet van af. Dat wij ertoe doen is een gegeven. Dat is voorondersteld. En daarom kun je je best doen een goede vader of moeder, een betrouwbare vriend en een verantwoordelijk lid van de maatschappij te zijn. Het religieuze wereldbeeld gaat uit van de participatiegedachte en van het vertrouwen, dat wij ondanks alles zijn opgenomen in een fundamentele goedheid. De wereld is niet enkel chaos, en wij zelf niet enkel slecht. Wij mogen die fundamentele goedheid belichamen, maar we vallen er niet mee samen. Als je er zo tegen aankijkt is het gemakkelijker schuld te bekennen. Want als ik het een keer verpruts, is nog niet alles verloren. Anderen kunnen wat ik heb laten zitten van mij overnemen en de goedheid voortzetten. Als we het aan zouden durven daar op te vertrouwen, zou ons dat een stuk minder krimpachtig maken. We hoeven dan ook minder de schone schijn op te houden en aan windowdressing te doen. In wezen is ons leven maar in beperkte zin maakbaar. Het lukt ons niet om alle pijn en alle rampen uit te bannen en evenmin om zelf op een niveau te brengen dat er niets meer aan ons te verbeteren is en we in alle opzichten geslaagd zijn. Dat toe te geven maakt je nog geen loser.
Vanuit religieus perspectief gezien was dat busje met die combinatie van vrolijke kleuren en de boodschap dat niemand volmaakt is dus zo vreemd nog niet. Evenmin als het vreemd is dat aan het begin van een kerkdienst of eucharistieviering we met elkaar onze schuld en ons tekort belijden. Mensen vatten dat wel eens op als een signaal dat we in de ogen van de kerk nooit goed genoeg zijn en het dus ook nooit wat met ons wordt. Hoe goed je je best ook doet, in de optiek van de kerk ben en blijf je kennelijk altijd schuldig. Dat is een misverstand De bedoeling is juist een heel ander signaal af te geven. Het verwijst naar een voorgegeven goedheid die verder reikt dan wat wij ervan maken en die daarmee de ruimte schept eigen en elkaars tekort onder ogen te zien. Dat wij gefaald hebben betekent nog niet dat wij verloren zijn, laat staan dat de goede zaak verloren is.
Ik hoorde laatst een opmerkelijk verhaal van iemand die vertelde, dat als er in de organisatie waarin hij werkte een fout gemaakt werd, de teamleider de betrokkene niet op het matje riep, maar in de teamvergadering de open vraag op tafel legde : ‘Wat hebben wij fout gedaan?. Daardoor ontstond de ruimte persoonlijk gemaakte fouten te erkennen en er samen van te leren. Pas toen hij in een andere organisatie kwam te werken waar een harde afrekencultuur heerste, besefte hij hoe vruchtbaar de benadering van zijn vorige teamleider was, en hoe onvruchtbaar die van zijn huidige. Fouten erkennen en ervan leren kan alleen wanneer anderen beseffen en durven toegeven dat ook zij niet volmaakt zijn.

Ds. Adri Terlouw
(reageren op deze column? ; terlouwadri@gmail.com )

Vrijdagavond 2 november 20.00 uur – Avond voor alle zielen

Vrijdagavond 2 november bieden we net als voorgaande jaren weer de gelegenheid om als dorpsgemeenschap samen met de nabestaanden hen te gedenken die ons het afgelopen jaar of al eerder ontvallen zijn. Het is geen kerkdienst, maar een avond voor iedereen die stil wil staan bij het verlies van een dierbare. Er worden gedichten en teksten voorgedragen, er is muziek en stilte, en we noemen de namen van onze doden en stekken een kaarsje voor hen aan. De muziek en de teksten worden gekozen in overleg met de directe nabestaanden. Alle families die in het afgelopen jaar iemand verloren hebben ontvangen binnenkort een persoonlijke uitnodiging voor deze bijeenkomst of hebben die inmiddels al gekregen.

Column – Van ophouden weten

Tijdens de ruim veertig jaar dat ik nu predikant ben, heb ik één keer een burn – out gehad. Al noemde je dat toen nog niet zo. Maar het had er alle kenmerken van. Met als belangrijkste dat er geen moment meer was dat ik niet met mijn werk bezig was. Als ik ’s maandags na een drukke werkdag met als afsluiting ’s avonds vijf catechesegroepen onder de douche stond, was ik alweer druk bezig met hoe ik volgende week met hen verder moest. Ik had er namelijk voor gekozen hun eigen levenservaring als leerstof te nemen. Dat was in die tijd helemaal nieuw en ik moest dus zelf gaandeweg uitvinden hoe je dat aanpakte. En dan was er ook nog al het andere werk dat die week op mij wachtte: pastorale gesprekken, godsdienstlessen op de openbare basisschool, vergaderingen, de redactie van het kerkblad en de zondagse preek.  Aan den lijve heb ik toen geleerd hoe belangrijk het is om tijd vrij te maken waarin ik niet met mijn werk bezig was. Van ophouden weten. Uit gesprekken met mijn kinderen en hun leeftijdsgenoten merk ik dat dit ook voor hen vaak moeilijk is. Ze zijn 24/7 bereikbaar. De mobiele telefoon gaat nooit uit. Dus blijven bijna 24/7 ook de zakelijke mails, whatapps en belletjes binnenkomen. En op den duur blijkt dat te veel. Een mens moet van ophouden weten. Sabbat durven nemen, noemt de Bijbel dat. ‘Zes dagen lang’, zo luidt één van de Tien Geboden, ‘kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken’. Met andere woorden: gun je zelf de luxe van één dag in de week vakantie. Vakantie komt van het Latijnse werkwoord vacare, dat leeg zijn betekent. Sabbat van een Hebreeuwse werkwoordsvorm die ophouden betekent. Eigenlijk gaat het om de universele wijsheid dat we mensen zijn en geen goden die maar door kunnen zonder daarbij onderuit te gaan. En al waren we goden, zelfs de Eeuwige rust op de zevende dag, zegt één van de twee Bijbelse scheppingsverhalen.

Het sabbatsgebod gaat als volgt verder: “Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw runderen, uw ezels en al uw andere dieren, en ook voor de vreemdelingen die bij u in de stad wonen; want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u’. Het heeft dus uitdrukkelijk ook een sociale kant. Het is zelfs niet in eerste instantie bedoeld voor de grootgrondbezitter, die heeft vrije tijd genoeg, maar om diegenen een vrije dag te bezorgen die op andere dagen misschien wel te hard moeten werken.

Denkend in dat spoor gaan Joodse priesters en wijzen later zelfs nog een stapje verder. In een bepaling die waarschijnlijk stamt uit de periode van de Babylonische ballingschap schrijven zij zelfs een sabbatsjaar voor. Eens in de zeven jaar moet Israël het land met rust laten en mag het niet ploegen, zaaien of oogsten, maar moet men leven van wat van vorige jaren is overgebleven en van wat spontaan groeit. Behalve een soort vakantiejaar voor mens en dier is het ook een soort ecologische maatregel. Niet alleen mensen en dieren, ook de akker mag niet uitgeput raken. Land is er niet alleen om bewerkt te worden, het is ook drager van een aantal andere waarden en die dienen gerespecteerd te worden.
In diezelfde tijd van de Babylonische ballingschap bedenken zij ook nog het jubeljaar, afgeleid van het Hebreeuwse kèren jobel, dat ramshoorn betekent. Aan het begin van dat jaar, dat elk vijftigste jaar plaatsvindt, wordt er op de ramshoorn geblazen en wordt een totale schuldkwijtschelding afgekondigd. Families die door de nood gedwongen in de voorafgaande negenenveertig jaar één of meerdere stukken grond hebben moeten verkopen en daarmee een deel van de economische basis van hun bestaan zijn kwijtgeraakt krijgen dat terug. Daarmee krijgt ieder weer een volwaardige uitgangspositie en worden de sociale verhoudingen in het land weer rechtgezet.

Zowel dat sabbatsjaar als dat jubeljaar zijn in letterlijke zin nooit gepraktiseerd. Zelfs als dat al zou dat wel zo zijn, dan nog zijn ze  onze tijd natuurlijk niet letterlijk in praktijk te brengen. Maar daarmee zijn het sabbatsgebod en zijn verdere uitwerkingen allerminst zinloos geworden. Ze vragen aandacht voor wat nog altijd uitermate relevant is . Werk heeft iets verslavends en net als toen werkt het economisch systeem nog altijd zo dat, als we niets doen, een kleine groep steeds rijker wordt ten koste van anderen die steeds verder achterop raken. Als we geen grenzen stellen ondergraaft dat niet alleen ons eigen welzijn maar de hele samenleving. Rust is in de Bijbel een heilig begrip dat ons wil motiveren obsessief workalcoholisme en ijskoud economisme in onszelf en in de maatschappij tegen te gaan.

Ds. Adri Terlouw
(reageren op deze column? ; terlouwadri@gmail.com )

 

Column – Elke morgen nieuw

‘So schönes Wetter, und – ich noch dabei’, laat de Duitse schrijver Wilhelm Raabe (1831 – 1910) ergens één van zijn figuren zeggen. Alleen al deze ene regel maakt hem voor mij onvergetelijk: “Zulk mooi weer – en ik er nog bij”. De afgelopen weken hebben mijn vrouw en ik het aan de ontbijttafel geregeld tegen elkaar gezegd. ‘So schönes Wetter, und wir noch dabei’. Dat iedere morgen de zon opgaat is één van de vanzelfsprekendste dingen van de wereld. Als iemand met ochtendhumeur dat becommentarieert met een nuchter ‘nou en?’ heeft die het grootste gelijk van de wereld. Toch maakt een stralende morgen ieder die maar een beetje gevoel heeft gelukkig. Net als de thee, de koffie en verse broodjes op de ontbijttafel. Niet voor niets is in één van de boeken van een andere Duitse schrijver, Heinrich Böll (1917 – 1985), het ontbijt één van de gelukkigste momenten van de dag.
In de kerkdiensten waarin ik de afgelopen weken voorging heb ik geregeld als eerste lied opgegeven:
Dit is een morgen als ooit de eerste,
zingende vogels geven hem door.
Dank voor het zingen, dank voor de morgen,
beide ontspringen nieuw aan het woord.
(Liedboek, Zingen en bidden in huis en kerk, gezang 216). En altijd kreeg ik de indruk dat men het van harte mee zong. Een stralende morgen is zinnebeeld van de overwinning van het heldere op het verwarde, van de waarheid op de leugen en de schijnheiligheid, van verlichting en wijsheid op bijgeloof en dwaasheid. ‘Weldra betreedt de zon haar gouden pad om de morgen aan te kondigen, dan zal het bijgeloof verdwijnen en zegeviert de wijsheid’, laat Mozart aan het begin van zijn finale van Die Zauberflöte de drie jongens zingen. Muziek waar je, of je wilt of niet, vanzelf vrolijk van wordt. Geen wonder dat de Bijbel in de opgaande zon op de vroege morgen een verwijzing ziet naar Gods goedheid. Naar het scheppingsverhaal ook, waar chaos langzaam maar zeker plaats maakt voor licht en ruimte. Daarom laat een ander morgenlied uit het liedboek ons zingen:
De trouw en goedheid van de Heer
verschijnt ons elke morgen weer
en blinkt en blijft als dauw zo fris,
zolang het dag op aarde is. (Gezang 207)
Je zou elke ochtend een loflied op de Schepper kunnen aanheffen en je op het nieuwe leven verheugen. Om vervolgens in de avond, bij zonsondergang, de blues te dansen. Als tenminste niet één of andere idioot zich die dag in één van onze steden opblaast. Als je niet een lief mens ontvallen is, of niet al in de vroege morgen door verschrikkelijke pijnen gekweld wordt. Dan besterft de lof je op de lippen en snijden kreten door de lucht. En die kreten worden vragen: Waarom? Waarom zo, en waarom ik?
De titel van mijn column heb ik ontleend aan een vers uit het Bijbelboek Klaagliederen:
Het is de goedheid van de Eeuwige
dat het niet met ons gedaan is
dat Zijn ontferming niet opgehouden is!
Nieuw zijn ze, elke morgen; (hoofdstuk 3 : 22 en 23)
Klaagliederen is een boek dat boordevol met bittere vragen en klachten staat. Lamentationes heet het in het Latijn en er wordt heel wat af gelamenteerd. Ze zijn ontstaan in de Babylonische ballingschap. Onder Judeeërs die alles verloren hadden en waren gedeporteerd naar een ver en vreemd land. In de meeste liederen is de hele gemeenschap aan het woord, in dit lied uit hoofdstuk 3 slechts één enkele mens. Zijn lichaam voelt als een gevangenis en ook zijn geest draait altijd maar weer dezelfde rondjes in de zinloosheid waarin hij opgesloten zit. Maar één ding kan deze mens nog wel: klagen. Door te klagen creëert hij ruimte. Stel je eens voor dat, wanneer je verdriet hebt of als je onrecht is aangedaan, je ook nog de ruimte om te klagen zou worden ontnomen! Dan hebben hel en dood en hun verachtelijke handlangers echt het laatste woord. Zolang we klagen leven we en zijn we weerbaar. Daarom schept klagen lucht. Dat is de reden dat de klacht in de Bijbel alle ruimte krijgt, want voor de Bijbel is God daar waar we weer lucht krijgen.
Is er weer iets van ruimte, hoe miniem ook, dan kun je ondanks alles blij worden van heelt gewone dingen als de opgaande zon. Vandaar dat midden in een klaagpsalm geregeld zo maar de lofzang kan opklinken op toch weer een nieuwe morgen.
Maar ook als het je een redelijk onbezorgd bestaan te leidt waarin ellende en lijden je deur voorbijgaan, kan een mooie morgen je blij maken. En die blijdschap moet je koesteren. Het is de vreugde over de schat aan schoonheid en goedheid die ons met het leven in de schoot wordt geworpen.

Ds. Adri Terlouw
(reageren op deze column? ; terlouwadri@gmail.com )

Column – Dubbelzinnig welkom

De Stille Week staat voor de deur. Voor kerken wereldwijd het hart van het kerkelijk jaar. In tal van kerken is er elke avond van de week een korte viering. Waar dat niet gebeurt, zijn er in ieder geval vieringen op Palmzondag, Witte Donderdag, Goede Vrijdag, Zaterdagavond (Paasnacht) en Eerste Paasdag.
Op palmzondag lezen en overdenken we in de kerken het verhaal van Jezus ‘ intocht in Jeruzalem. Het is een verhaal waarbij je niet zo goed weet of je er nu bij lachen of huilen moet. Het begint blij en aandoenlijk: Jezus die als de koning die vrede en verzoening brengt op een ezeltje de stad binnenrijdt. Als vanzelf neemt het verhaal je mee in het enthousiasme waarmee de menigte hem binnenhaalt. Maar het vervolg blijkt om te huilen. De evangelist doet dan ook wat hij zelden doet, hij laat Jezus huilen : niet om zijn eigen lot, maar dat van Jeruzalem, de stad die verwoest gaat worden, omdat ze niet herkent wat tot haar vrede dient; die ook hem niet heeft herkend. Ze verlangt hartstochtelijk naar vrede, maar is niet in staat de stappen te zetten die daarvoor nodig zijn. Zoals wij bijvoorbeeld hartstochtelijk kunnen verlangen naar een samenleving die minder anoniem is, maar niet loskomen van allerlei patronen die de anonimiteit juist in stand houden. Jezus’ welkom in Jeruzalem wordt zo wel erg tweeslachtig, erg ongemakkelijk.

Dat onbegrip is ook één van de centrale thema’s in de verhalen over Jezus’ lijden en sterven die volgen. Feitelijk weten we maar weinig van wat er destijds rond Jezus’ dood nu precies gebeurd is. In de verhalen lopen feit en fictie door elkaar. Maar één ding is heel duidelijk : Jezus en zijn boodschap worden nauwelijks of niet begrepen. Niet alleen de leiders van het volk willen hem kwijt, ook zijn leerlingen laten het voortdurend afweten. Judas, de verrader, en Petrus, de lafaard, zijn daarvan de prototypen, maar ook over de andere leerlingen valt eigenlijk weinig positiefs te melden. Zo liggen ze als Jezus hun in doodsangst om bijstand vraagt te slapen.
De verhalen over Jezus zijn laatste dagen lijken, al zijn ze pas vele jaren na zijn dood op schrift gesteld, nog vol te zitten van schuld en schaamte over hun aller gedrag destijds. Zelfs de verhalen over de verrijzenis waarmee de evangelisten heel kort hun evangelies afsluiten zitten nog vol twijfels. Kennelijk heeft het even geduurd voor ze langzaam door kregen wat Jezus nu eigenlijk bedoelde en ze zover waren dat ze hem daarin wilden volgen. ‘Werkelijk, deze was een rechtvaardige’, zegt een Romeinse hoofdman die op Golgotha tegenwoordig is bij Jezus executie, als hij gestorven is. Met die belijdenis – ‘Hij had gelijk, niet wij ‘ – begint zijn verrijzenis. Maar om daar daadwerkelijk te komen heeft voor zijn volgelingen langer geduurd dan de symbolische drie dagen uit de verhalen.

In veel kerkelijke gemeentes heerst een diep gevoel van onvrede over het feit dat ze het contact met de rest van de samenleving verloren lijken te hebben. Ze leven immers van een verhaal van verbinding over grenzen heen. Maar tegelijk zijn ze onderworpen aan de dynamiek van alle groepen; hoe langer ze bestaan, hoe meer ze naar binnen gekeerd raken. Daar zit iets van dezelfde dubbelzinnigheid in als in het verhaal over Jezus’ intocht in Jeruzalem. Ook in de samenleving vind je diezelfde dubbelzinnigheid terug. Zo schuilt in het verzet tegen de openstelling van vliegveld Lelystad, onmiskenbaar iets van het besef dat we wat de luchtvaart betreft aan de grenzen staan van wat wenselijk en mogelijk is. Tegelijk blijven we geregeld een stedentrip of andere vliegvakantie boeken.

Het verhaal blijkt dus uiterst actueel. Het laat ons in de spiegel van onze eigen dubbelzinnigheid kijken. Kennelijk hoort die bij ons mensen. Dat roept misschien de vraag op wat je ermee opschiet dat te weten. Waarom zou je in deze spiegel kijken? Voor mij omdat het de eerste stap is om aan je gebrek aan durf en initiatief voorbij te komen en je mee te laten nemen op nieuwe wegen. Ook al zal er altijd iets van dubbelzinnigheid aan ons blijven kleven, wij kunnen ook opstaan uit het graf van onbegrip, onwil en ongemak en nieuwe wegen inslaan. Het is die mogelijkheid die we met Pasen vieren en waarvoor we ons in de Stille Week proberen open te stellen.

Ds. Adri Terlouw
(reageren op deze column? ; terlouwadri@gmail.com )